Wat moet je denken bij opstanding?

  • Theo van Willigenburg

Vorige week sprak ik met Christoph Wonneberger. Hij is de dominee die in 1989 het initiatief nam tot de dwarse Montagsgebete in de Nicolaikirche in Leipzig die door duizenden werden bezocht en die uiteindelijk leidden tot de val van de dodelijke muur die de DDR scheidde van het Westen. “Maar dat was helemaal niet ons doel,” zei Wonneberger. “Wij wilden gewoon meer inspraak en vrijheid. Dat de grens zou opengaan was zelfs een maand voordat het gebeurde volstrekt onvoorstelbaar. De vereniging van de Duitslanden maakte geen deel uit van welke mogelijkheid dan ook. Het was net zo onwaarschijnlijk als dat iemand zou opstaan uit de dood.”

‘Opstanding uit de doden’: het is een typerend voorbeeld van een begrip dat ooit verwees naar een werkelijkheid waar mensen in konden geloven maar waar we ons nu – gegeven de biologische waarheid ‘dood is dood’ – niets meer bij kunnen voorstellen. Toch liet de bekende linkse filosoof Žižek, toen hem werd gevraagd waarom hij, als militant atheïst, zo vaak het christelijke gedachtegoed verdedigt, de volgende opmerkelijke woorden noteren: “Het christelijke gedachtegoed is een strijd waard vanwege de verrijzenis en het universele karakter van de waarheid.” Žižek is een maoïst die vindt dat kerken gesloten moeten worden en omgebouwd tot bioscoop of graanschuur. Toch introduceert het verhaal van de opstanding uit de doden (van Jezus en wie hem volgen) volgens Žižek een van de allerbelangrijkste en krachtigste ideeën in de mensengeschiedenis. Hoe komt hij daarbij en wat bedoelt hij precies?

Net als de schrijvers van de Evangeliën en de apostel Paulus in zijn brieven, heeft Žižek het over een historische gebeurtenis, al is het niet zomaar het opnieuw tot leven wekken van een lijk (want niet voor niets herkenden Jezus’ verwanten en vrienden hem aanvankelijk niet toen hij aan hen verscheen). Het was lichamelijk en concreet maar tegelijk was er blijkbaar iets nieuws, iets radicaals anders. Het is dus in ieder geval niet zo dat de verrijzenis betekent dat ‘Jezus voortleeft in onze gedachten’, zoals Gandhi of Martin Luther King nog steeds mensen inspireren of zoals overleden geliefden op een of andere manier nog steeds ‘bij ons zijn’. Zulke psychologiserende interpretaties identificeren de opstanding met een of andere subjectieve ervaring. De verrijzenis is dan aangepast aan onze levens in plaats van dat ons leven een nieuwe wending neemt vanwege de verrijzenis. Voor Žižek is de opstanding een radicaal historisch moment.

Het verrijzenisverhaal schetst in religieuze termen het meest krachtige idee van wedergeboorte, vernieuwing en de mogelijkheid van een totaal onverwachte opening in de geschiedenis. Het duidt een contingent moment aan dat niet te plaatsen is binnen de krijtlijnen van de bestaande voorstellingswereld. We hadden nooit gedacht dat dit zou gebeuren, omdat de bestaande wereld voortdurend heel veel buitensluit, heel veel realiteit niet ziet die ‘later’ heel vanzelfsprekend gevonden wordt. Uit wat voor de bestaande wereld dood is, ontstaat nieuw leven, een universele waarheid die haaks staat op wat we eerder normaal vonden en die voorbijgaat aan wat voor waar wordt gehouden in tijden, plaatsen en tradities. Een waarheid “voor Joden én Grieken” zoals Paulus het uitdrukt. Het is een waarheid die iedereen tot gelijke maakt want “in Christus is geen man en geen vrouw … geen slaaf en geen vrije” – een gedachte die zo ongehoord is dat hij nog steeds niet overal aanvaard wordt.

Hoe universeel ook, het is geen filosofische waarheid die door lang reflecteren en debatteren aan het licht is gekomen. Het is een waarheid die is geïncarneerd in concrete ervaringen en verhalen, zoals de getuigenissen over de opstanding van Christus. Voor beroemde klassieke filosofen als Plato, Aristoteles of Seneca was slavernij of de ongelijkheid van mannen en vrouwen een vanzelfsprekendheid waar men geen moment over nadacht. De eerste christenen praktiseerden in hun gemeenschappen weliswaar ‘gelijkheid van allen’, maar zij bestreden niet de maatschappelijke ongelijkheid. Dat de marteldood van Jezus een ultieme kritiek op ‘de heilige uitverkorenen’ in zich bergt, kritiek op al die ‘beteren’ (uitgelezen volk, mannen, vrijen, blanken) die hem niet lustten, was een blijde boodschap die stap voor stap zijn werk deed. Pas de Cappadocische kerkvaders Basilius en Gregorius van Nyssa plaatsten in de vierde eeuw na Christus voor het eerst echt vraagtekens bij het instituut van de slavernij. De gedachte van de gelijke waardigheid van alle mensen lag eenvoudig buiten de horizon van elk weldenkend persoon in die tijd. Toch droegen de fundamentele overtuigingen van de Jezus-volgers een kritisch potentieel in zich waarvan zij zich op bepaald moment bewust werden.

In 1989 lag het verdwijnen van het IJzeren gordijn in Europa buiten de horizon van elk weldenkend mens. Toch leidden kaarsen en gebeden in Leipzig tot een massademonstratie waar de Stasi niet meer op wilde schieten, waardoor net dat zetje werd gegeven dat in een spel van complexe krachten leidde tot een nieuw Europa. Het zijn dit soort onverwachte inbreuken op onze voorspelbare, ‘begrepen’ wereld die worden gevierd in het raadsel van de verrijzenis.

En denk nu niet dat wij weten waar die bevrijding van de macht van het niet-mogelijk-zijn, van de dood, volgend jaar zal worden gevierd. Denk niet dat we weten wat straks de ‘goede’ partij is. Want de revolutie – opstanding ­– draait ons begrip over goed en kwaad, wat kán en wat niet kan, altijd weer om. Het is heel onwerkelijk. Het is letterlijk buiten de orde. De waarheid is zelden zoals we haar voorstellen, zij is precies wat aan onze voorstelling ontsnapt.

Foto: Berlin November 10th 1989, Brandenburg Gate via Fiahless (CC BY-NC-SA 2.0)

Tags: